GEBED IN ROTTERDAM VAN EEN JONGEMAN UIT RANGKASBITUNG.


In de naam van de barmhartige Allah


Allah! Allah!
Mijn adem beroert de toppen van mijn tenen
die boven de deken uitsteken.
Ik open mijn ogen
en wordt niet wakker uit mijn slaap.
Ik blijf ronddwalen
binnen in mijn ziel.

Vogels afgebrand in de hemel
en fladderend boven de aarde.
Bloemen meegenomen door opstekende wind
vallen op het water
de stroom in de rivier,
draagt ze naar de oceaan,
maaltijd voor een school haaien
die vervolgens in een woeste doodsworsteling
omrollen als de golven.

Ik heb heimwee naar mijn dorp
vijftien kilometer van Rangkasbitung.
Ik verlang naar rode rijst,
geroosterde vis, watergekletter op stenen,
de speciale geur van een dorpsvrouw haar hals,
een biddende stem in de mist.

Vernield. Vernield. Vernield.
Alle toeristen, motels en plantages komen de desa in.
Meisjes van de desa vluchten naar de stad
werken in massage-salons,
alle naar de stad vluchtende mannen worden landlopers.
En uiteindelijk
weggejaagd of gevangengenomen
uit het leven verwijderd.
Kleine mensen lijken op muizen.
En alle makelaars
staan altijd klaar om ambtenaren van proviand te voorzien
bespoten met insekticiden.
Vernield. Vernield. Vernield.

Nu ben ik hier. In Rotterdam.
Ochtendgloren. Sterke wind.
Het raam heb ik niet geopend,
maar het gordijn heb ik opzij geschoven.
De ruiten zijn vochtig. Herfst.
Ik ruik naar braaksel.
Een doodsbenauwde hysteriese neger
opgejaagd door de terreur van blanken
in zijn eigen land
in Zuid Afrika.
Geweld. Macht. Geld.
En omdat er daar diamantmijnen zijn,
wendt de meerderheid van de blanken
ook de demokraten inbegrepen,
het gezicht af,
mompelend als een getikte,
handjeklap onder de tafel,
Werken en handelen tegelijk
met deze onderdrukkers.
Leugens. Leugens. Leugens.
Ja, barmhartige Allah!
Mijn handen drijven op het water
naast het afval van de beschaving.
Zal ik tegen de stroom in moeten zwemmen?
Door het raam kan ik de hemel zien.
Regen valt als ganzeveren.
Ik verlies me in stotteren.
Ik kan geen standpunt vinden.
Er komt een tram voorbij.

Tram? Bulldozer? Tank?
Zal ik Linde opbellen?
Of Adriaan?
Wanneer zal de brief aankomen
als ik hem nu schrijf aan Makoto Oda in Japan?
Nutteloos. Vernietigd. Leugen.

Rotterdam! Rotterdam!
Geroezemoes van stemmen op de markt van Jakarta.
De geur van geroosterd vlees.
Monnik in Vietnam die zichzelf in brand steekt.
Eindeloze burgeroorlog in India.
Ik ben wezenloos.
Zal ik de lamp aandoen?
Het geluid van een klok.
Hoe vaak slaat hij? Hoe laat is het nu?
Mijn vader in Rangkasbitung vroeg altijd: Wanneer ga je trouwen?
Ga je trouwen met een
Indonesische of Hollandse vrouw?
Wanneer geef je mij een kleinzoon?
Zal ik de lamp aandoen?
In Rangkasbitung is de regentijd zeker al begonnen.
Waarom moet ik een kind hebben?
Als de derde wereldoorlog uitbreekt
met nukleare wapens,
de wind blaast,
de regen valt,
wordt elke wolk een bedreiging.
Zal mijn kind later dit alles meemaken?
Uitvallend haar. Afvallende huid.
Ellendig afval machteloos.
Ach, mijn kind zodra je wordt geboren
is het onmogelijk terug te vluchten
naar je moeders schoot!

Wat voor stem hoor ik daar?
Elektroniese muziek?
Hoe laat is het?
Is het al tijd voor het ochtendgebed?
Studieboeken op tafel.
Mijn handen drijven op het water.
Mijn handen raken het glas van de ramen
En uit de verte komt dichterbij:
Mijn gezicht.
Wat doe ik nu eigelijk?
Ja Allah die barmhartig is!
Mijn handen drijven op het water
naast het afval van de beschaving.
Moet ik tegen de stroom inzwemmen?
Tjonge! Wat is dit voor vraag?
Ben ik eigenlijk bang? Vraag ik barmhartigheid?
Ben ik bang en vraag ik daarom barmhartigheid?
Wat voor vraag is dit?
Ja, Allah de barmhartige.
Ik zal Linde opbellen
en ook Adriaan.
Ik zal een brief schrijven naar Makoto Oda.
Mijn handen bal ik tot een vuist in het water
bevuilt met het afval van de beschaving.
Ik hoef niet beschaamd te zijn
voor het tweegesprek met mijn geloof.

Allah de barmhartige,
mijn geloof is mijn ervaring.


Bojong Gede
6 november 1990
Rendra
* Origin: / De Zwarte Ster* / *31-70-3636755 / 14400 bps. / (16:31/10)